Toen ik in een vorige post naar de uittocht keek merkte ik op dat daar zowel een genadige kant aan zit (Israëls bevrijding), maar dat er ook sprake is van oordeel (over Egypte). Diezelfde twee kanten spelen een rol rondom de ballingschap. Nu gaat het echter in de eerste plaats om een oordeel over Israël, want het volk Israël wordt in verschillende fasen weggevoerd. En daarmee houdt het land min of meer op te bestaan. Het wordt opgeslokt in het grote Babylonische wereldrijk. Het is belangrijk om te zien dat dit voor Israël op alle mogelijke manieren een crisis is. Ook een religieuze crisis, want het volk had al die tijd geleefd met het idee dat JHWH hun God en beschermer is. En dat JHWH uiteindelijk de enige God is met ultieme macht, zoals bijvoorbeeld bij de uittocht zo duidelijk bleek. Nu komt die overtuiging echter zwaar onder druk te staan, want als andere volken zo een einde kunnen maken aan Israëls bestaan, hoe sterk is JHWH dan? Zijn de goden van andere volken misschien toch sterker?
JHWH maakt echter duidelijk dat niet andere goden (en hun volken) zich tegen Israël hebben gekeerd, maar dat hijzelf zijn hand tegen hen uitstrekt (Ezechiël 5,8). Ook Israël valt onder het oordeel als ze voortdurend hun vertrouwen weigeren te stellen op JHWH. Daarmee wordt dus duidelijk dat JHWH nog steeds de enige is, en de sterkste. Zo sterk dat hij andere volken en hun leiders kan gebruiken om zijn oordeel over Israël te voltrekken. Een les voor Israël: hun verkiezing als volk van JHWH is niet gebaseerd op voorkeur van God. JHWH is niet partijdig, hij verkiest met het doel om alle volken te zegenen. Zijn verkiezing van Israël is dus een verantwoordelijkheid en omdat Israël die verantwoordelijkheid niet draagt vallen zij onder het oordeel (vgl. Jeremia 18,1-10).
Daaruit blijkt een belangrijke eigenschap van JHWH: hij is rechtvaardig, elk volk krijgt wat het verdient, ook Israël. JHWH’s heerschappij als koning en rechter is gebaseerd op rechtvaardigheid. Israël en de volken zullen dat weten.
En toch, door het oordeel heen blijft Israël Gods uitverkoren volk. Ook dat blijkt rondom de ballingschap, want de opdracht is: ‘jullie moeten in aantal toenemen, niet afnemen’ (Jeremia 29,6). JHWH heeft nog steeds een plan, hij wil het volk niet uitroeien. Er is nog een missie, zoals ook blijkt uit het volgende vers: ‘Bid tot de HEER voor de stad waarheen ik jullie weggevoerd heb en zet je in voor haar bloei, want de bloei van de stad is ook jullie bloei.’
Bij deze opdrachten blijft het niet. Want uiteindelijk zal JHWH zijn volk ook weer wegleiden uit Babel en terugbrengen naar het beloofde land. Net als bij de uittocht blijkt dan zijn bevrijdende kracht. Hij sluit een nieuw verbond met zijn volk (Jeremia 31,33).
Christen en Isolde
29/10/2009
Vroeger zat ik op woensdagavond nog regelmatig op het puntje van mijn stoel fanatiek achter de televisie om voetballers aan te moedigen of uit te schelden. Tegenwoordig gebeurt dat alleen nog bij goede wielerwedstrijden. Maar gisteravond was weer een ouderwets woensdagavondje, want ik zat op het puntje van mijn stoel bij de zoektocht van Isolde en haar gesprekken met allerlei interessante christenen. Ik vond het prachtig om te zien hoe Isolde open stond voor wat gezegd werd en hoe ze zich ook liet aanspreken. Maar het absolute hoogtepunt was wat mij betreft de opmerking van de non, na allerlei moeilijke vragen van Isolde: ‘ik ben ook geen deskundige, ik ben een liefhebber’. Daarmee vatte ze de hele boodschap voor rationalist Isolde samen: geloven is geen deskundigheid of onwankelbaar rigide weten, maar het is liefhebben en daarin je zekerheid vinden.
De godheid van Jezus – JHWH en de uittocht
23/10/2009
De vorige post sloot ik af met zoiets als een tegenstelling, een tegenstelling die voor echte Feyenoorders als ik, min of meer uit het hart gegrepen is: Israël geeft met woorden uiting aan het geloof in JHWH, maar welke daden van JHWH zijn daar precies de reden voor? Nu is misschien wel één van de belangrijkste kenmerken van JHWH dat die tegenstelling in hemzelf absoluut geen tegenstelling is. Zijn woord is daad. Hij sprak en het was er en het was goed. In Gods woord zit dus daadkracht, een patroon dat in de Bijbel steeds weer terugkeert.
Bijvoorbeeld als het gaat over de uittocht uit Egypte. Typisch zo’n daad van God waaruit het volk leert wie Hij is en waarin zijn woord steeds weer daad blijkt te zijn. De geloofsbelijdenissen over JHWH vormen zich voor een groot deel door die daad. En dat is ook precies de bedoeling blijkt in Exodus 6,6-8. Vlak daarvoor klaagt Mozes bij God: ‘waarom hebt u mij hierheen gestuurd? U hebt uw volk niet bevrijd!’ (5,22-23). In reactie daarop belooft JHWH echter drie dingen. Hij geeft: 1) bevrijding van het Egyptische juk, 2) een relatie tussen hem en het volk, 3) ingang in het land dat aan de voorvaders al beloofd is. In vers 7 staat het doel daarvan: ‘jullie zullen inzien dat ik, de HEER, jullie God ben, die jullie bevrijdt van de last die je door de Egyptenaren is opgelegd.’ Christopher Wright heeft het vervolgens over een ’stijle leercurve’, Israël zal nu in rap tempo ontdekken hoe JHWH is. En aan het eind van die leercurve zingen ze het dan ook uit: ‘wie onder de goden is uw gelijke Heer? Wie is uw gelijke, zo ontzagwekkend en heilig, wie dwingt zoveel eerbied af met roemrijke daden, wie anders verricht zulke wonderen?’ (Exodus 15,11) Dat is blijkbaar de eerste les die Israël door de uittocht over JHWH leert: hij is onvergelijkbaar, de goden van Egypte konden hem geen tegenstand bieden. En door heel het oude testament heen klinkt dan ook die uitroep: niemand is als u.
In het lied van Exodus 15 wordt ook het koningschap van JHWH bezongen (vers 18). Ik heb al eerder gesignaleerd dat Israël JHWH als koning ziet, maar dat vindt dus blijkbaar ook zijn grond in Gods daad van de uittocht, waarmee hij de koning van Egypte verslaat. Het opvallende aan het koningschap van JHWH is dat hij zijn macht laat gelden ten behoeve van de zwakken en onderdrukten, want het volk Israël werd onderdrukt in Egypte. Juist ook met de herinnering aan die tijd wordt in Deuteronomium 10,14-19 Gods koningschap en zijn zorg en liefde voor het zwakke aan elkaar gekoppeld.
Ook op een andere plek in Deuteronomium, in hoofdstuk 4,32-39, wordt op de bevrijding uit Egypte teruggekeken. Daar wordt nog eens het element van de onvergelijkbaarheid van God benadrukt. Hij is uniek, zo uniek dat een vergelijking met bijvoorbeeld de Egyptische goden zinloos is. Deuteronomium 4,39 stelt dus simpelweg: ‘de HEER is de enige God, een ander is er niet.’ Daar gebeurt iets heel bijzonders, want de Bijbel spreekt juist heel vaak over andere goden. En God wordt heel vaak met andere goden vergeleken en blijkt dan onvergelijkbaar te zijn. Maar daarin ligt toch een zekere erkenning van het bestaan van andere goden. Richard Bauckham stelt daarom dat JHWH van een volstrekt andere orde is dan alle andere ‘godjes’. Er is geen andere God als JHWH, omdat er simpelweg geen andere God is. JHWH is de God. In 2 Samuël 7,22 gaat het samen op, eerst wordt de onvergelijkbaarheid van JHWH benadrukt, daarna het feit dat hij uniek is: ‘zoals u is er geen, er bestaat geen andere God dan u.’ Israël leert JHWH in de uittocht dus kennen als de onvergelijkbare, unieke God, die als koning oog en hart heeft voor de zwakken en onderdrukten. Dat ze deze kant van JHWH leren kennen komt omdat zij degenen zijn voor wie God opkomt, zij worden bevrijdt. Aan de uittocht zit echter ook een andere kant: de Egyptenaren worden met paard en ruiters in de zee gestort, nadat al hun oudste zonen vermoord zijn. Dat is het oordeel van JHWH en ook daardoor leert het volk – en de volken – hem kennen.
In het verhaal van de uittocht zit namelijk het belangrijke element van de krachtmeting tussen Farao en JHWH. De Farao staat niet toe dat JHWH zeggenschap heeft in zijn land: ‘Wie is die HEER, dat ik hem zou gehoorzamen?’ (Exodus 5,2). De plagen die JHWH op Egypte afstuurt gaan vervolgens regelmatig gepaard met een belangrijke boodschap: ‘dan zullen jullie weten wie ik ben’ (vgl. Ex. 7,17; 8,6.18; 9,14.16; 10,2). Ook in de manier waarop Egypte en Farao JHWH leren kennen wordt dus het feit dat JHWH uniek is, de enige God is, benadrukt. En hij is niet maar de God van Israël, maar van heel de wereld en hij wil dat die wereld dat weet. Al moet dat door een hard oordeel over deze Farao en deze Egyptenaren te vellen. Dat wil niet zeggen dat dit het laatste oordeel over Egypte is, ook zij zullen JHWH als redder leren kennen (zie Jesaja 19,19-25).
In de volgende post zal ik naar nog zo’n hoeksteen van de geschiedenis van Israël kijken: de ballingschap. Ook die gebeurtenis zal veel over JHWH laten zien.
De godheid van Jezus – JHWH is redder
09/10/2009
Ik ben door de vorige blogs op dit punt uitgekomen: 1) JHWH is de enige God, 2) hij is de schepper van heel de wereld en 3) hij heeft een verbond met Israël. Bovendien is JHWH 4) koning en 5) rechter.
Daar is nog een 6e punt aan toe te voegen, namelijk dat JHWH redder is. Een overtuiging die op vele plekken in het Oude Testament naar voren komt. Bijvoorbeeld nadat JHWH de Farao en zijn leger heeft verzwolgen in de Rietzee, als het volk zingt: ‘de HEER is mijn sterkte en kracht, Hij is mijn redding geweest’ (Willibrord vertaling).
Het is ook een eigenschap van JHWH die in de psalmen voortdurend bezongen wordt. Psalm 42,6 is daarvan een beroemd en bij mij geliefd voorbeeld: ‘Vestig je hoop op God, eens zal ik hem weer loven, mijn God die mij ziet en redt.’ En misschien is psalm 68,20-21 nog wel sterker als geloofsbelijdenis van het hele volk: ‘deze God draagt ons en redt ons, onze God is een reddende God. Bij God, de HEER, is bevrijding uit de dood.’
En last, but not least openbaart JHWH zich zelf via de profeet Jesaja ook nadrukkelijk als redder: ‘Want ik, de HEER, ben je God, de Heilige van Israël, je redder.’ (Jes. 43,3) JHWH is dus 6) redder.
Deze 6 kenmerken van JHWH zouden nog uit te diepen zijn, want als schepper van de hele kosmos en alles wat daarin is, is hij ook de eigenaar en degene die zijn schepping liefheeft. En niet te vergeten: hij kent de kosmos als geen ander, hij is dus degene die de waarheid in pacht heeft én ook openbaart. Als koning, rechter en redder is hij bovendien degene die vrede brengt: werkelijk de vredevorst.
Voordat ik ga duidelijk maken dat Jezus in het Nieuwe Testament op allerlei manieren met deze JHWH verbonden wordt, ga ik in de eerstvolgende twee blogs nog iets dieper in op het optreden van JHWH in de geschiedenis. Want het is mooi dat Israël met deze woorden uiting geeft aan het geloof in JHWH, maar welke redenen heeft Israël om zo over JHWH te denken? Welke daden van JHWH geven daar aanleiding toe?
In de vorige blog heb ik vanuit Deuteronomium 6,4 de conclusie getrokken dat: 1) JHWH de enige God is, 2) hij de schepper van heel de wereld is en 3) dat hij een verbond met Israël heeft.
Daarmee is echter nog lang niet alles over JHWH gezegd. Want het Oude Testament maakt bijzonder duidelijk dat JHWH heerst. Dat wil zeggen: JHWH is Koning. De psalmen leveren aan die overtuiging een belangrijke bijdrage. Bijvoorbeeld psalm 33 vers 6-15, waarin heel duidelijk wordt dat door het woord van JHWH de wereld gemaakt is, dat zijn plan de loop van de geschiedenis bepaalt en dat hij alle mensen doorziet.
Een andere psalm die het beeld van JHWH als heerser en koning oproept is psalm 110. Daarin blijkt dat JHWH de scepter van de macht in handen heeft en dat hij dus bepaald wie zal heersen over vijanden. In zijn koningschap bepaalt hij wie koning is, zoals er staat: de HEER (JHWH in het Hebreeuws) spreekt tot mijn heer (adonai in het Hebreeuws): neem plaats aan mijn rechterhand…
Die rechterhand van JHWH is de hand die grote dingen doet. Het is de hand waarmee hij de wereld schiep, de hand waarmee hij de vijanden van zijn volk versloeg bij de uittocht uit Egypte, de hand waarmee hij mensen redt die bescherming bij hem zoeken en de hand waarmee hij uiteindelijk rechtvaardig zal oordelen.
Het is JHWH die macht verschaft en daarmee is hij zelf de machtigste. JHWH is dus 4) koning.
En een koning spreekt recht. Zoals dat in psalm 96,13 bezongen wordt: ‘[Jubel] voor de HEER, want hij is in aantocht, in aantocht is hij als rechter van de aarde. Rechtvaardig zal hij de wereld berechten, de volken oordelen, trouw aan zijn woord.’
Psalm 96 loopt op deze oproep uit en dat is een oproep aan ‘heel de aarde’ (vers 1, 9 en 11). De hemel, de aarde, velden en bomen, stammen, naties, alle volken, ja heel de kosmos moet jubelen voor JHWH, want hij oordeelt de volken naar recht en wet (vers 10). JHWH is dus 5) rechter.